
© 2008 LABF
Inteelt en lijnenteelt.
Nadat wij de effecten van selectie vanuit een aantal invalshoeken hebben bekeken moeten wij nog enige aandacht besteden aan het begrip "inteelt". In de voorgaande paragrafen ontstond wellicht de indruk dat inteelt vooral optreedt als bijproduct van selectie.
Voor sommige rassen is dit misschien waar, voor de rashondenfokkerij in het algemeen geldt dit zeker niet.
De meeste fokkers hebben een "lijn" en fokken en selecteren zoveel mogelijk binnen die lijn.
Slechts met een zekere terughoudendheid kruisen zij dieren uit andere lijnen (subpopulaties) in.
In principe streven ze naar geschikte paringen tussen zo-
De redenen voor dit beleid zijn duidelijk. Elke fokker heeft, dankzij de toegepaste lijnenteelt, een bepaald "type" tot stand gebracht. Kruisingen met dieren buiten de lijn, leiden tot nakomelingen met meer variatie.
En dus tot dieren met allerlei afwijkingen ten opzichte van het type dat de fokker wenst.
Oudercombinaties binnen de lijn zijn heel voorspelbaar in hun uitkomsten.
De nakomelingen zullen in hoge mate aan het voor de lijn gewenste type voldoen.
En hierin schuilt nu exact het probleem. Ten onrechte wordt verondersteld dat er een verschil zou bestaan tussen inteelt en lijnenteelt.
De meeste fokkers zien inteelt als "gevaarlijk" en "niet goed voor het ras". Wat zij niet beseffen is dat hun lijnen, in de loop van vele generaties, zo ver zijn ingeteeld dat er maar weinig erfelijke variatie overblijft.
De dieren binnen de lijn zijn bijna-
Dit temeer omdat die gemeenschappelijke voorouder op zijn beurt, ook al stevig was ingeteeld.
De homogeniteit en voorspelbaarheid van de nakomelingschap of omgekeerd, het gebrek aan variabiliteit binnen de lijn, vormt het beste bewijs voor de bereikte hoge graad van inteelt.
We stellen vast dat lijnenteelt (lijnteelt, lijnfok, lijnenfokkerij) een vorm van inteelt is.
Bijlangduriger toepassing bereiken we dezelfde resultaten zoals we die kennen van paringen
tussen ouders en nakomelingen of tussen volle broers en zusters. Het resultaat komt alleen wat langzamer tot stand.
Dat het proces van inteelttoename langzamer verloopt kan voor de fokker, die naar
homogeniteit van zijn diermateriaal streeft, voordelig zijn.
Hij wordt namelijk, elke generatie opnieuw, in de gelegenheid gesteld om kritisch te evalueren of het "extra beetje inteelt" ongewenste effecten oplevert. Hij kan zijn selectieprogramma voortdurend aanpassen en tijdig bijsturen.
Hij kan binnen zijn lijn de schade, door het verlies van erfelijke variatie, tot het uiterste
beperken.
We mogen hierbij echter niet uit het oog verliezen dat, zo lang de fokker doorgaat met intelen en selecteren, hij het verliesproces niet kan stoppen.
Hij kan hooguit proberen "er het beste van te maken".
Bovendien geldt dat veel lijnen al zover zijn ingeteeld, dat de fase van het kritisch
evalueren en bijstellen van het selectieprogramma al ruimschoots gepasseerd is. Voor
de meeste kenmerken is de genetische variabiliteit binnen de lijnen al zover gereduceerd
dat er nauwelijks ruimte is voor enige beleids-